GEO - certificering golfbanen in Nederland

GEO staat voor de Golf Environment Organization en wordt internationaal erkend en gefinancierd door onder meer de European Tour, de European Golf Association (EGA), de Royal & Ancient of St. Andrews en de European Golf Course Owners Association (EGCOA).

Biodiversiteit op golfbanen is in! De resultaten daarvan zijn afhankelijk van natuurlijke processen die worden beïnvloed door beheer, inrichting en onderhoud van het golfterrein. Het zijn overwegend de professionals als greenkeepers die zich hiermee bezighouden. Maar de laatste jaren ook met binnen golfbanen gerealiseerde commissies van vrijwilligers (baancommissie, commissie Natuur en landschap, GEO-commissie, commissie Flora en Fauna, Biodiversiteitscommissie etc.), vaak ook aangevuld met ondersteuning vanuit opleidingscentra, groen onderwijs, vlinderstichting, vogelbescherming, bijenclubs etc., wordt ook door golfclubs en golfverenigingen hierop ingezet.

In Nederland wordt de toekenning van het GEO certificaat ondersteund en gefaciliteerd door de NGF. De NGF stimuleert alle golfclubs in Nederland het GEO certificaat te behalen en verleent daarbij ook ondersteuning.

De Nederlandse Golfkrant en GEO

In haar edities 2021 besteedt De Nederlandse Golfkrant aandacht aan het onderwerp GEO door o.a. te schrijven over 'GEO-gecertificeerde golfbanen' en golfbanen met vergelijkbare inspanning. Voor de krant wordt verwezen naar het hoofdstuk Vakblad. Gelijktijdig wordt aandacht besteed aan de gevolgen van klimaatverandering voor golfbanen via artikelen van Jurrian Tjeenk Willink.

De Nederlandse Golfkrant jaargang 2021, editie maart: Rampjaar of voorspoed (1): Herman Berteler.
De Nederlandse Golfkrant, jaargang 2021, editie april (2): GEO-gecertificeerde golfbanen. Herman Berteler.
De Nederlandse Golfkrant, jaargang 2021, editie mei(3): GEO-gecertificeerde golfbanen. De Kromme Rijn - Bunnik. Herman Berteler.

De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 4, juni 2021. De golfbaan een natuurrijke omgeving!? GEO-gecertificeerde golfbanen in Nederland (4). Tespelduyn - Noordwijkerhout. Herman Berteler.
De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 5, juli 2021. GEO-Gecertificeerde golfbanen - een natuurrijke omgeving!? (5)Golfbaan Landgoed Welderen in Elst. , Herman Berteler.
De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 6, augustus 2021. GEO-Gecertificeerde golfbanen - een natuurrijke omgeving!? (6)Golfbaan Driene in Hengelo. Herman Berteler.

De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 7, september 2021. GEO-Gecertificeerde golfbanen - een natuurrijke omgeving!? (7)Golfbaan Land van Thorn. Herman Berteler.
De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 8, oktober 2021. GEO-Gecertificeerde golfbanen - een natuurrijke omgeving!? (8)Golfbaan De Batouwe. Herman Berteler.
De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 9, november 2021. GEO-Gecertificeerde golfbanen - een natuurrijke omgeving!? (9). GEO - Evaluatie, Herman Berteler.

GEO certificaat op hoofdlijnen

Op hoofdlijnen is GEO gericht op het nemen van verantwoordelijkheid voor de omgeving waarin golfbanen opereren, daar waar deze een belangrijk ecologisch element vormen voor hun omgeving. Golfbaaneigenaren hebben dan ook een bijzondere verantwoordelijkheid t.a.v. het verbeteren, verrijken en in stand houden van het milieu en een duurzame levensstijl.

GEO heeft een zestal aandachtsgebieden gedefinieerd, waarbinnen gedetailleerde criteria zijn ontwikkeld, waaraan de beheerder wordt getoetst.

  1. Landschap en ecologie/natuur
  2. Water
  3. Energiebronnen
  4. Materiaal en ketenbeheer
  5. Milieukwaliteit
  6. Mens en maatschappij/samenleving.

Deze 6 aandachtsgebieden zijn ondergebracht in 3 deelgebieden waarvoor criteria zijn vastgesteld: natuur, milieu en samenleving.

Vanuit het aandachtsveld Natuur, “flora en fauna” en biodiversiteit binnen de natuurrijke omgeving van golfbanen, richt dit hoofdstuk zich hier voornamelijk op de ecosystemen van onze golfterreinen. In nauwe relatie daarmee staat het watermanagement, de zoektocht naar alternatieve energiebronnen, het minimaliseren van te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen, kunstmeststoffen en schoonmaakproducten, gebruik van duurzame en recyclebare producten en de milieukwaliteit van lucht, water en bodem (vervuiling en afvalverwerking).

Golfterreinen spelen in meerdere opzichten een toenemende rol in de maatschappij en kunnen daarbij hun sociale- en economische waarden richting een meer duurzame manier van leven, werken en spelen ventileren. In het bijzonder ook de meerwaarde ze leveren voor de biodiversiteit, de instandhouding en verbetering of mogelijk uitbreiding van de natuur. Met hun natuurlijk ingerichte ruimtes die onderdak bieden aan verschillende biotopen en habitattypen met karakteristieke flora en fauna, een goede reden om de ecosystemen hier middels een GEO certificering te beschermen, te verbeteren en in stand te houden.

GEO – Evaluatie

In de laatste editie 2021 van ‘De Nederlandse GOLFkrant’ komt ook de NGF aan het woord, waarvoor op woensdag 20 oktober 2021 een onderhoudend gesprek plaatsvond met Koert Donkers. Hij is werkzaam als agronomie adviseur bij de NGF en binnen de greenkeeperswereld bekend als oud voorzitter van de NGA (Nederlandse Greenkeepers Associatie). Agronomie of landbouwkunde houdt zich integraal bezig met natuurlijke, economische en sociale wetenschappen die in de landbouw worden gebruikt. Binnen de NGF heeft hij o.a. GEO in zijn portefeuille, een van de speerpunten.

In voorgaande edities van de Nederlandse Golfkrant zijn de golfbanen Kromme Rijn, Tespelduyn, Welderen, Driene, Land van Thorn en De Batouwe bezocht om resultaten en voordelen van GEO-certificering te ervaren. Uit de gesprekken is gebleken dat er toch wel verschil van visie is in de beleving van opbrengst, effectiviteit en zinvolheid van dit traject met de NGF. De voornaamste argumenten tegen de GEO-certificering betroffen het inspanningstraject, het kostenaspect (a 253,-/jaar) en de ervaring dat er weinig terugkoppeling plaatsvind van concrete deelnemerservaringen en -resultaten. Komt bij dat golfbaanexploitanten toch al de nodige inspanningsplicht hebben vanuit geldende wet- en regelgeving met betrekking tot natuur, water, energie en milieu. Maar via OnCourse gebeurt dit (mogelijk) meer gestructureerd en completer, evenals regelmatige borging ervan. Wenselijk te vermelden is dat alle input vanuit deelnemende golfbanen exclusief eigendom is en blijft van de golfbaan. De NGF draagt zorg voor kennisuitwisseling, via seminars en bijeenkomsten op basis van kennis en rapportages beschikbaar gesteld via GEO.

Waar komt GEO eigenlijk vandaan?

Het GEO certificaat is ontwikkeld door de GEO Foundation uit North Berwick, Scotland. Deze internationale organisatie zet zich in voor de ontwikkeling van duurzaam terreinbeheer van golfbanen en om de sociale en ecologische waarde van golf te versterken en te promoten.

Het GEO-certificaat omvat drie deelgebieden waarvoor criteria zijn vastgesteld: **natuur**, milieu en samenleving. Golfbanen met dit certificaat geven hiermee aan dat ze op een duurzame manier hun golfbaanterrein beheren, inclusief clubhuis, gebouwen en machinepark. Dit betreft zaken als watergebruik, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest, energie, afvalscheiding, gebruik duurzame materialen, biodiversiteit, maar ook communicatie, inzet sociale contacten, etc. Dit conform de gestelde criteria van iSEAL, niet van de NGF en deze vertaalt naar praktische maatregelen.

Kunnen golfbanen ook zonder GEO-certificering aan duurzaamheid doen?

Ja zeker! Nederland telt zo’n 251 golfbanen, waarvan er momenteel 102 zijn gecertificeerd, wereldwijd gezien het hoogste percentage.

Waarom GEO-certificering?

Drie argumenten zijn zwaarwegend om GEO-gecertificeerd te zijn, te weten:

  1. de borging van duurzaam (terrein)beheer en inrichting;
  2. meer gecontroleerd, efficiënt beheer (planmatig) met continue bewaking over de breedte:
  3. en vooral zélf, maar ook via de brancheorganisatie (NGF), meer geloofwaardigheid als gesprekspartner naar de overheid met betrekking tot zaken als biodiversiteit, energie, grondstoffen, klimaat, voedsel en water en bodem.

Het maakt de golfsport ook sterker!

Is een tweedeling in de toekomst denkbeeldig?

Dat is zeker niet uit te sluiten, sterker, de NGF speelt nu al haar eigen nationale wedstrijden op alleen GEO-gecertificeerde banen. En wie weet ook de competitie in de toekomst? Er mag namelijk toch verwacht worden dat alle golfbanen en -clubs aan vigerende wet- en regelgeving voldoen? aldus de NGF.

Wat is er voor nodig en hoe dat te regelen?

De vrees voor de werkdruk is hier en daar groot bij golfbanen, maar waar het eigen ritme is te bepalen en gemeenschappelijke doelen worden nagestreefd, kan deze ook meevallen. Er is wel inspanningsverplichting om tot resultaat te komen, maar dit wordt niet opgelegd en de baan blijft onafhankelijk, ook in de wijze waarop en door wie ze e.e.a. laat uitvoeren.

De hiermee verdwijnende ‘vrijblijvendheid’ voorkomt terugval naar de waan van de dag. Golfbanen kunnen zo het GEO-certificaat zelfstandig en op eigen kracht behalen en behouden, maar op onderdelen ook gebruik maken van deskundige trajectbegeleiders. Dit speelt vooral in de inventarisatiefase waar gerichte informatie binnen verschillende thema’s wordt verzameld. Voor Nederland verloopt alles via de Nederlandse OnCourse portal welke alle vereiste gegevens omvat, die vervolgens worden geverifieerd. OnCourse wordt door de NGF vergoed waarbij de portal gratis is.

Informatieverstrekking door de NGF via social media, hier via Twitter.

Visie, Ambities en Audit

Belangrijk is, ook buiten GEO-certificering om, dat de golfbaan visie en ambities manifesteert voor het realiseren van een duurzame en zo mogelijk kostenefficiënte golfbaan. Vanzelfsprekend dienen deze te worden vertaald naar praktische actiepunten en maatregelen, veelal weergegeven in een werkplan. Hierin is elke golfbaan onafhankelijk en blijft eigenaar van de verkregen informatie, de nulmetingen, inventarisaties en documenten. De NGF gebruikt deze gegevens niet voor haar doeleinden en heeft er überhaupt geen toegang tot. Wel wordt de baan beoordeeld of zij voldoet aan de voorwaarden voor het behalen van het certificaat. Dit toetsen wordt uitgevoerd door een van de vier onafhankelijke verifiers die geaccrediteerd zijn via de GEO Foundation, niet via de NGF.

Biodiversiteit, klimaatverandering en een duurzame golfbaan

Jurrian Tjeenk Willnk j.w.tjeenkwillink@gmail.nl

Politici en ambtenaren hebben hun biodiversiteit plannen in de la gestopt. Het is nu “klimaatverandering”, gereduceerd tot financiële problemen zoals de zeespiegelstijging. De zeespiegel zal eind deze eeuw immers 1,2 meter hoger liggen. De Bioplannen zijn achterhaald omdat een snelle temperatuurstijging met een sterke toename van zowel de intensiteit als de duur van droge perioden in vooral het voorjaar. Daarbij zullen de buien extreem hevig en langdurig worden. Bijna nergens staat de biodiversiteit er zo slecht voor als in ons land. De opsommingen eindeloos: sinds 1900 zijn 600 diersoorten verdwenen, in 30 jaar is het aantal vliegende insecten met 75% afgenomen.etc.

De Nederlandse Golfkrant jaargang 12, editie 9, novemver 2021. Biodiversiteit, klimaatverandering en een duurzame golfbaan. Jurrian Tjeenk Willink.

Exoten

In de ecologische systemen zijn onze “dracht” of “waard” bomen en meerjarige planten samen met het schimmelnetwerk in de grond de basis voor de biodiversiteit. Alleen wilde planten passen in onze ecostructuren, allochtone soorten en cultivars (gekweekte verwilderde soorten) niet. In en om waardplanten leven relatief veel andere organismen die hem als springplank voor hun verdere verspreiding gebruiken. De eik (Qurecus), gevolgd door de linde (Tilia), spant de kroon. De woekeraars hebben een dna dat niet past in onze ecosystemen en belemmeren de voortplanting van de gebiedseigen soorten. De Amerikaans eik (Quercus rubra), sinds 1825 in ons land, vermenigvuldigt zich explosief. Hij groeit snel, heeft een grote kroon, z’n eikels worden niet gegeten en zijn grote bladeren verteren langzaam en bedekken al gauw de hele ondergrond.

Panklare stapjes

Terug naar onze golfbaan, naar een beheer op eigen kracht en creativiteit, gericht op een blijvende duurzame attractie ervan. Een meerjarenvisie die, gericht op proactieve maatregelen jaarlijks waar nodig bijgesteld wordt. Het KNMI laat in scenario’s zien dat/hoe er meer en heviger droge en natte perioden komen en ook hoeveel minder of meer water er dan ons land binnen stroomt. Veel zekerheden zijn er niet. Wat nu!! Waar moeten we van uit gaan om een onherstelbare ellende c.q. wegkwijnende vaste planten en bomen, de instorting van de biodiversiteit te voorkomen??

  • 1. Welke zijn kwetsbaar bij de verwachte klimaatverandering en welke zijn een investering in de toekomst?
  • 2. Wat is hun gebiedsgebonden ecologische samenhang en welke de mogelijke aanpassingen van het waterbeheer?

Gelukkig zijn er wel gedeeltelijk panklare stapjes voorhanden zodat we niet blijven steken in mooie vage doelstellingen. Ik noem een paar per baan concreet te vertalen uitgangspunten.

  1. Kies voor beplanting gebiedseigen wilde soorten omdat die in ecosystemen passen verwilderde gekweekte en allochtone doen dat niet (zie mijn lijsten in “Golfbaanhandboek.nl”)
  2. Kies voor het maximaal benutten van het regen- en grondwater; inzijgen en bufferen van water in combinatie met een niet (bij langdurige/extreem natte of droge periodes) afvoeren van water en sproeien met leidingwater.
  3. Zorg voor een efficiënte, effectieve spreiding van maaiveld verschillen in samenhang met de aanwezige bodemkwaliteit en de eisen van het golfspel.

Loofbomen, exoten of inlandse?
Amerikaanse eik (Quercus rubra) als exoot.

Ad. 1. Welke bomen en struiken worden extra kwetsbaar en welke beloven een investering voor de toekomst?

Een snelle opwarming is veel schadelijker dan een langdurige. Het herstellend vermogen is per soort verschillend. Bij de lijsterbes (Sorbus aucuparia) en de beuk (Fagus sylvatica) is de schade nu al meetbaar/zichtbaar. Bij de beuk is het herstellend vermogen zeer gering, hij is zeer gevoelig voor droogte en veranderingen in bezonning. Dit jaar is nog geen 5% van de beukennootjes die we zien liggen vruchtdragend. Omdat behalve de allochtone Amerikaanse eik (Quercus rubra)alle bomen met nootachtige vruchten het slecht doen zal in sommige gebieden voor hun eters voedsel tekort ontstaan. Ook de grove den (Pinus sylvestris) heeft een beperkt herstellend vermogen. Zijn zaden ontwikkelen zich alleen in de blote grond (na storm) en bij voldoende vrij licht. Als hij na een verplanting geen diepgaande penwortel meer kan ontwikkelen, wordt hij kwetsbaar.

KLIMAATVERANDERING

JTW 2021.01.12.

  • 2020 Was in Nederland het warmste jaar ooit.
  • We hadden de zonnigste april.
  • Nooit was het neerslagtekort in het voorjaar zo groot.
  • Met een extreme hittegolf met een weekgemiddelde van 33,2oC.
  • Dit voorjaar was zo warm als dat 50 jaar geleden in Nice.
  • Ook in september was het nog nooit zo warm.
  • Gemiddeld wordt het elk jaar en elke dag iets warmer, ca 5oC de komende 30 jaar.

Wereldwijd zien we de meest extreme gebeurtenissen,

  • Zoals in Australië en het Amazone gebied de grootste bosbranden ooit.
  • Op de poolcirkel in Rusland deze zomer 38oC en op de zelfde plek in de winter ooit - 68oC.

Dit en nog veel staat in het jaarverslag van “World Weather Attribution”.

Hoe reageer je hierop bij de voorbereiding van het meerjaren-beheerplan van je golfbaan.

  1. Kennis biologie/ecologie, gebiedsgebonden kwaliteiten < potenties, risico’s, kansen.
  2. Kennis samenhang klimaatverandering <> duurzame biodiversiteit.
  3. Nooit meer een druppel water afvoeren, kansen en bedreigingen.
  4. Verdamping minimaliseren.
  5. Maximaal water bufferen en laten inzijgen.
  6. Benutten verschillende grondwaterstanden en hoogteverschillen terrein.

Een voorbeeld.
Bomen zijn onderdeel van de biodiversiteit, maar ondersteunen die ook. Juist uitheemse invasieve soorten zullen in de concurrentie/evenwicht verstoring als gevolg van de klimaatverandering inheemse soorten verdringen.

De Amerikaanse eik sinds 1828 in NL is een snelle groeier die woekert omdat hij bij ons niet tot een biotoop behoort (zijn eikels worden niet gegeten en zijn in korte tijd vallende blad smoort de onderbegroeiing. Zijn bijdrage aan de biodiversiteit is minimaal in vergelijking met de zomer eik, veruit de belangrijkste boom in het bos.

In ons land/op en rond onze golfbaan onderscheiden we verschillende natuurlijke bostypes. Op de drogere arme zandgronden groeit de eik vaak samen met den en berk en op voedselrijkere gronden met de haagbeuk en linde, met zwarte els, iep en es op voedselrijke vochtige gronden.

De (zomer)eik is de thuishaven, stapsteen, basis voor zeker 800 verschillende organismen. Per definitie is er een nauwe relatie tussen in en boven de grond met als belangrijkste symbioten de schimmels. Zij verzorgen de voedselbehoefte van plantenwortels en in ruil daarvoor krijgen zij van de plant wat ze nodig hebben (water).

Behalve symbiose gelden in het natuurlijk evenwicht de ecologische wetten, “eten en gegeten worden”, de afhankelijkheid van de tot het systeem behorende schimmels tm zoogdieren. Als de schimmel verdwijnt….. Per definitie is ook het aantal bijbehorende organismen op nieuwere exoten (zoals de plataan, de acacia en de kastanje) en nog veel sterker op de invasieve soorten. Veel minder dan op de gebiedseigen soorten. Een ecosysteem(biotoop) is een evenwicht van onderlinge afhankelijkheid, van bij elkaar horende schimmels tm zoogdieren.

Hiemstra maakte de aanzet voor een “soorttabel”

  1. Dracht-planten (steppingstone), zij leveren het basisvoedsel voor bestuivende insecten en vogels.
  2. De verplantbaarheid: De meeste lindesoorten hebben een groot herstel- en aanpassingsvermogen. Berken en beuken hebben een gering herstelvermogen; door hun oppervlakkig wortelstelsel zijn ze ook niet instaat om zoals onze lindes, eiken en dennen zich aan te passen aan droger/warmer wordende grond.
  3. De eilandtheorie: Een groter aaneengesloten natuurgebied heeft een grotere biodiversiteit, meer variatie; Hoe meer soorten, des te hoger de biodiversiteit.
  4. Bepaalde soorten maken de lijst interessanter, ze hebben een signaalfunctie zoals de hoeveelheid soorten (korst)mossen en dalkruid (stabiliteit) Een eerste indruk van de natuurkwaliteit/biodiversiteit van een bos, krijg je als je let op de mate van differentiatie en variatie van boom- en struik- en bodembedekkende soorten (leeftijd, hoogte) en het aantal soorten.

Waterbeheer

Waar en hoe kunnen we op onze baan de grondwaterstand verhogen, verlagen of buffercapaciteit scheppen om de biodiversiteit zo duurzaam mogelijk te maken?! Als we niets doen zullen over 30 jaar veel beuken en berken geveld zijn door droogte en ziektes.

Met een beetje cynisme zie ik dan een golfbaan met een mixture van woekerende cultivars en allochtonen als esdoorns en Amerikaanse eiken met wat lindes en zomereiken. Dit hoeft niet waar te worden als we zsm met een meerjaren “klimaat geadapteerd biodiversiteitsplan” komen. Dit is officiële ambtelijke taal!

Probleem is dat bij de overheid uitvoeringsplan en financiële haalbaarheid meestal ontbreken. Probleem is ook dat de aanzet door de overheid van de biodiversiteitrage, gepaard ging met een geldstroom die hoofdzakelijk een politiek doel had en zeker niet het organiseren van de relatie biodiversiteit-klimaatverandering.

Wateroverlast Lochemse GC hole 12.
Wateroverlast Palm Beach GC.

Natuurlijk gaan we uit van cultuurhistorie, grondkwaliteit verschillen en het gebiedseigene en wat bij ons groeit en bloeit, maar we weten nog nauwelijks wat er met de natuur/biodiversiteit gaat gebeuren als er langere, warmere droge perioden komen. We weten wel dat het waterbeheer topprioriteit zal moeten hebben. Er mag geen druppel verloren gaan (verdamping tm afvoer).

NGF en NGV zijn druk bezig met het voorbereiden van symposia, een koppeling aan GEO en een handleiding. Het delen/uitwisselen van onderzoek/kennis is daarbij hard nodig.

Wat zijn de proces uitgangspunten voor golfbanen:

  1. De analyse van bedreigingen<> kansen biodiversiteit/ecologie, prioriteiten <>financiën.
  2. Een helder beslisproces; welke beslismomenten en wanneer en door wie.
  3. Een meerjaren uitvoeringsplan, een financieel haalbaar concreet actieplan.

Schimmels

Planten/bomen kunnen in de natuur niet zonder schimmels! Kunnen de ijsvogel en de winterkoning zich in de nabije toekomst handhaven? Het beschermen van deze vogelsoorten en sowieso alle biodiversiteit begint met de bodemgesteldheid. Want dáár ligt de basis, de potentie voor alles wat boven de grond mogelijk is.

Wist u dat in één theelepel goede grond miljarden schimmels, bacteriën en aaltjes (zouden moeten) zitten? Zij vormen het voedsel voor insecten en zelfs kleine zoogdieren. Schimmels zijn waarschijnlijk met hun 450 miljoen jaar aanwezigheid op aarde het eerst ontstane organisme. Inmiddels zijn ze divers geëvolueerd, maar ze zijn nog steeds de grootste regelaar van de verplaatsing van voedingsstoffen onder de grond.

Symbiose

Een mycorrhiza is een samenlevingsvorm van schimmels en planten via de wortels. Bijna alle planten werken ondergronds samen met schimmels. Deze absorberen bijvoorbeeld mineralen uit de bodem die ze vervolgens afstaan aan een plant, in ruil daarvoor krijgen ze suikers terug voor hun eigen voeding.

Zeker 90% van alle schimmels leeft in symbiose met bepaalde soorten planten door hun soms kilometers grote, maar soms ook beperkte netwerk. Behalve zijn vermogen om voor de plant belangrijke schaarse voedingsstoffen (en soms water) op te nemen en te vervoeren, zelfs van de ene naar de andere plant, kunnen ze door hun eigen code de plant beschermen. Vlinderbloemigen leven dankzij hun schimmel in symbiose met stikstofbindende bacteriën. Verstoring van schimmelnetwerken kan daarom zeer grote gevolgen hebben.

Hoe beter de schimmelnetwerken zijn ontwikkeld, des te duurzamer de biodiversiteit. Door klimaatverandering zal er verstoring ontstaan, want schimmels en de diepte waarop zij optimaal voorkomen zijn afhankelijk van temperatuur en vochtigheid. Welke planten (waar op de baan) zullen daar het slachtoffer van worden. Met de bodemkaart, maaiveld (verschillen en mogelijkheden), een juiste differentiatie van zon, schaduw en bodembedekkers moet het ‘gebiedseigen’ water leidraad zijn voor duurzaam beheer.

Jurrian Tjeenk Willink

j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Klimaat verandering 2

JTW 2021.01.31.

In de Flora- en Faunawet worden de begrippen klimaat mitigatie en adaptatie geïntroduceerd. Klimaatmitigatie - vermindering van de opwarming. Klimaatadaptatie - aanpassing aan de opwarming.

Door toename van temperatuur en droogte krijg je meer kwetsbaarheid van de ecosystemen, meer kans op verstoring, schade door storm, ziektes en insectenplagen. Duurzame verhoging van de biodiversiteit betekent uitbreiding/stabilisatie ecosysteem, verhoging aanpassing en minder opwarming. Hoe meer variatie en differentiatie in de (bodem) diversiteit des te hoger en duurzamer de biodiversiteit. Maar ook dat beschermde soorten voldoende aanwezig moeten zijn om hun functie binnen een ecosysteem te behouden.

Vandaag de dag is 90% van de planten gebonden aan het mycorrhiza schimmel-plantenwortel symbiose systeem. Paddenstoelen zijn het sporen producerende orgaan van maar een klein aantal schimmels, het overgrote deel heeft geen paddenstoelen. Alle schimmelsporen verspreiden zich via het water en/of de lucht; ze zijn veruit de meest voorkomende levende deeltjes in de lucht en de belangrijkste bron voor de waterdruppelvorming.

Schimmeldraden of mycelium(draden) in de grond.
Relatie schimmels en plantenwortels.

De meeste schimmels zijn meercellig, delen zich en vormen een per soort verschillend mycelium, een draden (hyphen)netwerk. Bepaalde schimmeldraden vormen mycchoriza (symbiose) met bepaalde plantenwortels, ze zorgen niet alleen voor de voeding van planten en andere organismen, maar ook voor hun verdediging tegen ziekten.

Plantenwortels in symbiose met schimmels, mycelium.

Schimmelziekten veroorzaken plantenziekten als er onvoldoende bio- (en dus ook) schimmel diversiteit is. De bestrijding van ziekten met chemische middelen doodt vaak alle schimmels, van kwaad tot erger. Minder biodiversiteit betekent meer (kans op) ziekten. Dat betekent voor monoculturen, zoals de akkers van de boer en de fairways op een golfbaan, dat de maatvoering daarvan in combinatie met de biodiversiteit van het aangrenzende/omliggende gebied bepalend zijn voor de ziekte risico’s.

Jurrian Tjeenk Willink

j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Klimaat verandering 3

JTW 2021.02.16.

Biodiversiteit en klimaatverandering - exoten en cultivars

Er komen blijvend nieuwe soorten bij; door het ontbreken van natuurlijke vijanden zoals bacteriën, schimmels tm insecten of concurrerende planten.

Exoten. Denk aan onze voorouders die ergens een mooie plant zagen, aan betere infrastructuurmobiliteit, aan hedendaagse handel. Daarnaast heeft de “plantenveredeling” tot gevolg dat ook een groot aantal gekweekte soorten (cultivars) verwilderden, waarbij sommigen zich snel vermeerderen en woekeren. Doordat woekeraars het meest voorkomen op drogere terreinen zal de ondergroei vaak verdwijnen.

Woekeraars en de toegenomen grootschaligheid van het grondgebruik verminderen in een gebied de biodiversiteit doordat ze niet in bestaande ecosystemen passen en daar gebiedseigen “wilde” en qua cultuurhistorie thuishorende soorten verdringen.

Een overzicht van 'invasieve landplanten' treft u hieronder aan

Verboden in Nederland en de EU.

  • Afghaanse duizendknoop - Persicaria wallichii
  • Alsemambrosia - Ambrosia artemisiifolia
  • Zandambrosia - Ambrosia psilostachya
  • Driedelige ambrosia - Ambrosia trifida
  • Amerikaanse vogelkers - Prunus serotina
  • Canadese kornoelje - Cornus sericea
  • Grijs kronkelsteeltje - Campylopus introflexus
  • Hemelboom - Ailanthus altissima
  • Japanse duizendknoop - Fallopia japonica
  • Bont springzaad - Impatiens edgeworthii
  • Klein springzaad - Impatiens parviflora
  • Klein springzaad - Impatiens parviflora
  • Oranje springzaad - Impatiens capensis
  • Tweekleurig springzaad - Impatiens balfourii
  • Reuzenbalsemien - Impatiens glandulifera
  • Reuzenberenklauw - Heracleum mantegazzianum
  • Rimpelroos - Rosa rugosa
  • Sachalinse duizendknoop - Fallopia sachalinensis
  • Struikaster - Baccharis halimifolia
  • Trosbosbes - Vaccinium corymbosum
  • Zijdeplant - Asclepias syriaca

Bij “invasieve” oever- en waterplanten is het risico van grootschalige verspreiding nog veel groter. De Europese Unie heeft een lijst met verboden invasieve exoten gemaakt en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een (on line) atlas van het voorkomen van het landschappelijk en cultureel belangrijk groene erfgoed.

Overzicht soorten 'invasieve waterplanten'

Een overzicht van de 16 uitheemse waterplanten die de meeste problemen veroorzaken in of op de oevers van sloten en vaarten.

De grote waternavel uit Noord-Amerika is de bekendste invasieve waterplant in Nederland. Door het hele land zorgt deze soort geregeld voor dichtgegroeide sloten. Andere soorten, zoals de waterhyacint, kunnen zich niet in Nederland vestigen, omdat zij een strenge winter niet overleven. Toch kunnen ook deze soorten zich na introductie in korte tijd sterk uitbreiden en daardoor problemen geven.

Naam Op unielijst

  • Egeria (Egeria densa)
  • Grote kroosvaren (Azolla filiculoides)
  • Grote vlotvaren (Salvinia molesta) - Ja, sinds 2019
  • Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) - Ja, sinds 2016
  • Hydrilla (Hydrilla verticillata)
  • Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides) - Ja, sinds 2016
  • Moeraslantaarn (Lysichiton americanus) - Ja, sinds 2016
  • Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum) - Ja, sinds 2017
  • Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum) - Ja, sinds 2016
  • Smalle waterpest (Elodea nuttallii) - Ja, sinds 2017
  • Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major) - Ja, sinds 2016
  • Watercrassula (Crassula helmsii)
  • Waterhyacint (Eichhornia crassipes) - Ja, sinds 2016
  • Watersla (Pistia stratiotes)
  • Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora) - Ja, sinds 2016
  • Waterwaaier (Cabomba caroliniana) - Ja, sinds 2016

Door onderzoek werd ontdekt er nog een aantal nauwelijks bekende planten bestaan zoals de wilde appel en peer, de flodderiep en bepaalde rozen- en meidoornsoorten. Wilde planten bevorderen de biodiversiteit doordat ze passen in de schimmel-symbiose binnen de (bos)ecosystemen. Die schimmels verdedigen en voeden hun symbiose partners, kunnen aanwezig gif saneren en zo zelfs kleinschalige landbouw en ook het beheer van golfbanen ondersteunen.

De hyphen van een mycelium zoeken hun (vaste) symbiose partner.

Wageningen en andere universiteiten zijn er van overtuigd dat, als we niets doen, de biodiversiteit dramatisch zal afnemen door de gevolgen van de klimaatverandering. Helaas betekent de verwachte stijging van de zeespiegel dat (kosten van) dijkhoogtes Nationaal-Europees prioriteit hebben. De miljoenen die aan symposia over biodiversiteit <> klimaatverandering besteed worden, zullen voorlopig niets uitvoeringsgericht opleveren.

Gelukkig is, door de bijna explosief toegenomen kennis over de basis van onze natuur en onze ecosystemen, een stevig fundament voor kwetsbaarheid en de toekomst van de biodiversiteit. Duurzame biodiversiteit kan niet zonder ecosystemen. Cultivars en invasieve exoten zijn een bedreiging van de biodiversiteit. Als we niets doen, komen er door de temperatuurverhoging en de toenemende droogte, meer instabiliteit, woekeraars en ziekten, meer rampen en ziekten.

NatuurMonumenten maakte in de jaren ‘70 de fout door het “ eiken-berken, beuken” bos voor ons land heilig te verklaren en vergat daarbij de zeer verschillende gebiedseigen kwaliteiten. Nu weer, lijkt de prioriteit helaas verschoven van de ecologische structuren naar het “gemengde” bos.

Op onze armere zandgronden gelden randvoorwaarden voor de biodiversiteit bij stijgende temperatuur en droogte.

  1. 1 een goede waterbeheersing moet, inspelend op de bodemdifferentiatie, de inzijging, buffering en opslag van regenwater in een gebied, prioriteit hebben.
  2. 2 gebiedseigen oorspronkelijke plantensoorten moeten, evenals de cultuurhistorie gekoesterd worden, exoten en cultivars geweerd en monoculturen geminimaliseerd.
  3. 3 pro-actief denken wb klimaat adaptatie en - mitigatie (=vermindering) mogelijkheden bij het bos beheer.

Jurrian Tjeenk Willink

j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Neem contact op als je vragen of ideeën hebt!

Biodiversiteit en klimaatverandering 4

JTW 2021.06.24.(2021.06.02.)

Autochtone Boomsoorten, wilde soorten van voor 1600 en nu nog aanwezig

Op een golfbaan zal onderscheid tussen bomen als solitairen op/nabij de fairways en bomen als deel van het gebiedseigen bos en het overige terrein, praktisch zijn.

Een tweede onderscheid is dat tussen boom en struik; een struik zal minder dan 10 m hoog zijn. Wilgen die in broek/moeras omstandigheden leven vinden we struiken.

De autochtone boomsoorten zijn een belangrijke positieve bijdrage voor de biodiversiteit vanwege het in de loop van duizenden jaren door vele randvoorwaarden en ecosystemen gevormde DNA. Gekweekte soorten hebben verminderd/afwijkend DNA en allochtone een niet binnen de aanwezige systemen passend DNA.

  • Appel wilde - Malus sylvestris
  • Berk ruwe - Betula pendula
  • Berk zachte - Betula pubescens
  • Beuk - Fagus sylvatica
  • Den grove - Pinus sylvestrus
  • Eik winter - Quercus petraea
  • Eik zomer - Quercus robur
  • Els zwarte - Alnus glutinosa
  • Els witte/grijze - Alnus incana
  • Es - Fraxinus excelsior
  • Esdoorn veld - Acer campestre
  • Haagbeuk - Carpinus betulus
  • Hazelaar - Corylus avellana
  • Hulst - Ilex aquilofolium
  • Iep gladde - Ulmus minor
  • Iep steel - Ulmus laevis
  • Jeneverbes - Juniprus communis
  • Kers zoete - Prunus avium
  • Linde kleinbl. - Tilia cordata
  • Peer wilde - Pyrus pyraster
  • Populier zwarte - Populus nigra
  • Populier ratel - Populus tremula
  • Wilg treur - Salix babylonica
  • Wilg water-/bos - Salix caprea
  • Wilg laurier - Salix pentandra
  • Wilg schiet - Salix alba

Jurrian Tjeenk Willink

j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Neem contact op als je vragen of ideeën hebt!

De Nederlandse Golfkrant, jaargang 12, editie 6, augustus 2021. Golfbanen, klimaatverandering, biodiversiteit. Jurrian Tjeenk Willink.

Biodiversiteit en klimaatverandering 5

JTW 2021.06.24.(2021.06.02.)

Autochtone en cultuur-historisch waardevolle struiken

Struiken=heesters vormen de “tweede laag” in het bos. Wij rekenen tot de struiken de blijvende planten van minder dan 10 m hoog. Hun “praktische” betekenis voor de golfbaan ligt in de overgang van rough naar bos (beschutting, zichtbegrenzing) en de duurzame biodiversiteit van rough en bos.

Zon <> half-zon en droogte <> vocht minnende autochtone soorten spelen een rol in ecologische structuren en systemen. Allochtone esdoornsoorten, Amerikaanse eik en –vogelkers, kunnen gebiedseigen struiken verdringen omdat ze niet in een gebiedseigen systeem thuishoren.

Het kan zinvol zijn, bij het denken over de toekomst van onze golfbanen, vanwege het waterbeheer, onderscheid te maken in banen op een zanderige, armere bodem en die op een veen-klei-polder bodem. In de eerste categorie is het relatief eenvoudig om het gebiedseigen beheer te formuleren, in het tweede moeilijk en wordt vaak een kwetsbare eigen wereld geschapen.

  • Aalbes - Ribes rubrum
  • Bosrank - Clematis vitalba
  • Brem, Duitse - Genista germanica
  • stekel - Genista anglica
  • kruip - Genista pilosa
  • Brem - Cytisus scoparius
  • Bosroos - Rosa arvensis
  • Duinroos - Rosa pimpinellifolia
  • Egelantier - Rosa rubuginosa
  • Heggenroos - Rosa corymbifera
  • Hondsroos - Rosa canina
  • Framboos - Rubus idaeus
  • Gelderse roos - Viburnum opulus
  • Gagel - Myrica gale
  • Kornoelje, gele - Cornus mas
  • rode - Cornus sanguinea
  • Hazelaar - Corylus avellana
  • Jeneverbes - Juniperus communis
  • Kamperfoelie - Lonicere periclyme
  • Kardinaalsmuts - Euonymus europaeus
  • Kattendoorn - Ononis spinosa
  • Klimop - Hedera Helix
  • Krentenboompje - Amelanchier lamarckli
  • Hulst - Ilex Acquifolium
  • Liguster - Ligustrum vulgare
  • Lijsterbes, gewone - Sorbus aucuparia
  • Maretak - Viscum album
  • Meidoorn 2-1 stijlige - Crataegus laevigata en monogyna
  • Mispel - Mespilus germanica
  • Sleedoorn - Prunus spinosa
  • Sneeuwbes - Symphoricarpos albus
  • Taxus - Taxus baccata
  • Sporkehout - Rhamnus frangula
  • Wegedoorn - Rhamnus Catharina
  • Vlier, gewone - Sambucus migranten
  • tros - Sambucus racemosa
  • Vogelkers Europese - Prunus padua
  • Wilg. Van de 9 autochtone soorten worden de geoorde-, de water-, de grauwe-, de bittere en de katwilg tot de struiken gerekend.

Jurrian Tjeenk Willink

Kom met vragen/opmerkingen j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Biodiversiteit en klimaat verandering 6

JTW 2021.06.24.(2021.06.02.)

Bodembedekkers

De onderste laag, de bodembedekkers, bestaat uit één of meerjarige planten. Op veel golfbanen wordt hun waarde onderschat. De betekenis als buffer in het microklimaat op en in de grond, de nat-droog of zon-schaduw balans is zeker gezien de verwachte 3 graden temperatuur stijging en de toenemende en extremere droogte enorm.

Door de relatief zeer grote hoeveelheid soorten is de rol in de ecologische structuren en evenwichten essentieel. Het ligt voor de hand dat de huidige (mono-gras) fairways meer droogte bestendig moeten worden en dat daarbuiten het realiseren van een duurzame effectieve waterbeheersing, de belangrijkste randvoorwaarde voor de biodiversiteit zal worden.

We maken onderscheid in autochtone gebiedseigen begroeiing van rough + bos en apart aan “bij het water horende” planten, vanwege het belangrijker worden van de “eigen” wateropvang en- buffering.

De volgorde korstmossen, mossen, één- en meerjarige planten en de rol van struiken (en vanwege fysieke omstandigheden kleiner blijvende bomen) levert enkele algemeenheden op.

Bij het beheer van de wisselende “te” droge of natte situaties is de samenhang met de ruimere omgeving/ecosystemen van belang, omdat een verdringing door “invasieve” allochtone soorten zeer diversiteit verstorend zal zijn.

Zijn er gebiedseigen pionier- en successie patronen om verstoorde evenwichten te herstellen? Welke rol speelt de successie korstmossen, mossen, éénjarige en blijvende planten daarbij!

Korstmossen, zo ongeveer de primitiefste vorm van leven waarschijnlijk in het hele “heelal” tasten iets hogere organismen als een steen of boom niet aan; ze leven van de lucht en water, maar zijn wel de gastheer voor hogere organismen zoals de mossen waarin zich weer allerlei zaden kunnen ontwikkelen. Wist u overigens dat de grove den de enige boomsoort is waarvan het zaad in (stuif) zand zonder humus kan ontkiemen.

Wat simpel gezegd bepaalde mossen zijn in een ecosysteem voor vooral éénjarige organismen onmisbaar en blijvende bodembedekkende planten, zijn belangrijk voor het microklimaat waarin één- en meerjarige organismen kunnen gedijen. Golfbanen zijn geen natuurgebied en kunnen maar heel gedeeltelijk als zodanig beheerd worden.

= Blijvende planten, Groenblijvend: =

  • Dophei - Erica tetralox
  • Kraaihei - Empetrum nigrum
  • Struikhei - Calluna vulgaris
  • Maagdenpalm kleine - Vinca minor

= Varens (exclusief zustergroepen) =

  • Adelaarsvaren
  • Koningsvaren
  • Mannetjesvaren
  • Wijfjesvaren
  • Stekelvaren
  • Eikvaren
  • Dubbelloof
  • Schubvaren
  • Streepvaren
  • Tongvaren

= Knol- en bolgewassen =

  • Vogelmelk etc.

= Wortelstokgewassen etc. =

  • Annemoon
  • Dalkruid (kensoort beuken-eikenbos)
  • Lelietje-van-dalen
  • Salomonzegel (gr. en kl.)

Jurrian Tjeenk Willink

Kom met vragen/opmerkingen j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Golfbanen, Klimaatverandering<>Biodiversiteit

Wie heeft er nog niet door wat er allemaal op ons afkomt: het weer wordt van Amerika tot Siberië tot Australië nu al zichtbaar extremer. Het gaat harder en langer regenen maar de zonneschijn en verdamping zullen ook toenemen waardoor er meer en heviger droge periodes komen. Dit zal ons KNMI in haar nieuwe klimaatscenario eind dit jaar publiceren. Er is niet één oorzaak, maar een combinatie, maar er zijn wel bijna onvoorstelbare te voorziene gevolgen.

Greeneyes overzicht actuele verdamping.
Weerbericht controleren steeds meer van belang.

De temperatuur zal blijven stijgen, ook die van het zeewater. Door de opwarming neemt de hoeveelheid vocht in de atmosfeer toe en wordt het temperatuurverschil tussen de polen de tropen kleiner. De “Straalstroom” die op zo’n 10 km hoogte van west naar oost waait verliest door de opwarming zijn snelheid en daardoor komen lage en hoge drukgebieden in de zomer nauwelijks van hun plaats, vandaar ook de langere en dus nog drogere perioden Dit staat ook in de Britse Geophysical Research Letter van dit jaar. Deze spiraalwerkingen zullen zeker deze eeuw doorgaan., in elk geval zal het beheer van onze golfbanen extreem moeilijker worden.

Voorbereiding op extreme regenval.
Erosie verschijnsel, toekomstbeeld?

Paniek en geopolitiek binnenkort dus en u ziet ook de spiraal van relaties die op onze golfbanen afkomt. Wat te doen met het te lang te droog en/of te nat, hoe houden we de biodiversiteit zo veel mogelijk in stand, want anders komt er ook nog eens de ellende van onhanteerbare ziektes en (invasieve) woekeraars op ons af. Hoe bedenken we een efficiënt pro-actief beheer want afwachten is geen optie, evenmin als de gevolgen van toenemende kritiek.

Kunnen we het te droog en te nat linken? Dat moet wel, want als we de moeder van de diversiteit, het gebiedseigen schimmel-symbiose netwerk in de grond, niet voorop stellen. Dat kan alleen maar door de oppervlakten met mono-culturen te minimaliseren en het tijdelijk te veel aan water te benutten om het te veel aan droogte te minimaliseren.

We moeten het water op en in de grond van onze banen houden, want zeker is het dat de overheden met extreem strenge water gebruik beperkingen komen. We moeten enerzijds de buffercapaciteit op onze banen maximaliseren, de verdamping minimaliseren, de grond kwaliteiten en hoogte verschillen benutten en waar mogelijk te accentueren en de meest kwetsbare plantensoorten zo snel mogelijk vervangen.

Minder kwetsbare gebiedseigen soorten met een dieper gaand wortelstelsel, geen cultivars dus, maar planten die de meeste kans maken om in ecosystemen te passen en met hun schaduw andere planten beschermen. Meer-jaren plannen met prioriteiten. Maar…. beheerders, vergeet niet de onderscheidende kwaliteiten en het imago van uw baan bij dit alles te koesteren.

Jurrian Tjeenk Willink j.w.tjeenkwillink@gmail.com

Een eigen kweek

De meeste golfbaan-architecten beste(e)den nauwelijks aandacht aan de verschillende concurrerende attracties die hun baan kan hebben en komen bijvoorbeeld niet veel verder dan maquette-achtige ontwerpen met gemetselde waterranden. Het is dus aan de ‘baancommissies’ om het gebiedseigen onderscheidende, toe te voegen. Het is ook een ”must”, om met wilde, autochtone, gebiedseigen soorten aan planten te werken om de biodiversiteit en klimaat-adaptie op onze banen zo veel mogelijk kansen te geven en belangrijk om ergens een bescheiden plaats te zoeken voor een eigen “kweek”.

Niets is immers beter (en veel goedkoper) dan gewenste struiken en bomen op het eigen terrein te laten opgroeien. Daarbij kunnen we ons bovendien experimentjes of een gok veroorloven. Het duurt jaren voor het effect van nieuwe bomen en struiken zichtbaar wordt en mogelijk zelfs een “transformation permanente”. Het kopen van wilde soorten die direct op/om de baan gepoot kunnen worden, is moeizaam en kostbaar. Ik ken maar 2 betrouwbare adressen.

Om tempo en hoeveelheid van het kweken te bevorderen, is het zinvol ons vooral op het stekken + verpoten te richten. Om de kans op duurzame biodiversiteit op onze baan te maximaliseren is het een “must” met wilde, autochtone/gebiedseigen soorten te werken.

In mijn vorige artikeltjes binnen golbaanhandboek.nl en in edities van De Nederlandse Golfkrant, staat de lijst van alle wilde soorten met in de loop van eeuwen (van voor 1600!!) speciaal gebiedseigen gevormd DNA, ook die van de verwilderde cultivars en allochtone soorten met een onvolledig of niet in de ecosysteem passend DNA. Die kunnen een groot woeker/verdringingsrisico vormen waardoor ze de ook in eeuwen gevormde (maatgevende schakels in de) verbindingsstructuren bedreigen.

Voorbeelden zijn de meeste esdoorns en de Amerikaans eik (die integreren niet) en verdwijnen van te kleine “footprints” met voldoende “waard”bomen waarin en om veel andere organismen leven die een springplank , een voorwaarde voor de verdere verspreiding vormen.

Wat kunnen we in onze kweek het beste wel en niet doen? Randvoorwaarde is de kennis van welke verschillend soorten, wanneer, waar en met welke lengte nodig zijn; welke eisen stelt de plek.

  1. Gewenste zaailingen elders in/nabij de baan zoeken en verzamelen, in de kweek jaarlijks te verpoten (om voor de goede wortelvorming te zorgen) en tot de gewenste omvang laten groeien en tenslotte met een ruime kluit uit te poten.
  2. Ruim voldoende (boom/struik)stekken snijden van gezonde verhoute stengels in het vorstvrije na - of voorjaar.

Mespilus germanica - Mispel.

Snijdt stekken van ca 30 cm, onder een “oog” en boven een oog. Als je de stekken in het najaar snijdt, plaats ze vorst-vrij in een fles met water of pot met aarde. Als de stekken na de vorst gesneden worden kunnen ze in potten met grond of direct in een geul geplaatst worden. Ook nu jaarlijks verpoten. Denk ook aan creatieve experimenten en draagvlak, schakel zo veel mogelijk leden in. Voorbeeld: we hebben in ons land bloeiende en vruchten producerende wilde soorten (de noten familie, mispel, wilde appel, peer en kers), die zien er leuk uit en trekken wilde bijen, insecten tm vogels aan.

Jurrian Tjeenk Willink j.w.tjeenkwillink@gmail.com

blog.txt · Laatst gewijzigd: 2022/01/20 11:26 door Herman H. Berteler